verhalen 08 43

“Op naam van Bram Van Dijk.”

Mijn hart sloeg sneller.

“Maar Bram was haar zoon.”

De manager keek verbaasd.

“Dat weet u?”

“Annie heeft me alles verteld.”

Hij zweeg even.

“Dan weet u waarschijnlijk ook dat meneer Van Dijk dertig jaar geleden officieel als vermist werd geregistreerd.”

Ik knikte.

“Ja.”

“Wat u waarschijnlijk niet weet, is dat deze rekening nooit is gesloten.”

Ik keek hem aan.

“Waarom niet?”

“Omdat er ieder jaar een bedrag op werd gestort.”

“Door wie?”

Hij keek naar de computer.

“Dat kan ik u niet vertellen.”

“Alstublieft.”

Hij zuchtte.

“Het enige wat ik mag zeggen, is dat de stortingen steeds van dezelfde bron kwamen.”

“En die bron?”

Hij keek opnieuw naar het scherm.

“Een bedrijf.”

Hij schreef de naam op een vel papier.

Van Dijk Transport & Logistiek.

Ik staarde naar de naam.

Dat was onmogelijk.

Ik kende dat bedrijf.

Het was een van de grootste transportbedrijven in de regio.

Enkele jaren geleden had ik zelfs geprobeerd een samenwerking met hen aan te gaan.

“Dat bedrijf bestaat nog steeds?”

“Ja.”

“Wie is de eigenaar?”

De manager keek me aan.

“Een man genaamd Bram Van Dijk.”

Mijn stoel leek onder me weg te zakken.

“Wat?”

“Bram Van Dijk.”

“Dat kan niet.”

Hij draaide het scherm naar me toe.

Daar stond een bedrijfsprofiel.

Een foto.

Een naam.

Een geboortedatum.

Ik kende dat gezicht niet.

Maar ik herkende de ogen.

Dezelfde ogen als op de foto die ik uit Annies tas had gehaald.

Ik stond op.

“Hij leeft.”

De manager knikte langzaam.

“Blijkbaar wel.”

Ik reed rechtstreeks naar het kantoor van Van Dijk Transport.

De receptioniste keek me vriendelijk aan.

“Ik heb een afspraak met meneer Van Dijk.”

“Uw naam?”

“Thomas.”

Ze controleerde haar computer.

Haar glimlach verdween.

“Hij verwachtte u.”

Ik fronste.

“Wat?”

Ze stond op.

“Hij heeft vanmorgen instructies achtergelaten. Als een man genaamd Thomas hier zou komen, moest ik hem onmiddellijk naar boven sturen.”

Mijn hart begon te bonzen.

“Hij wist dat ik zou komen?”

“Blijkbaar.”

Ik volgde haar naar de lift.

Op de bovenste verdieping liep ik door een lange gang.

Aan het einde stond een man bij het raam.

Hij was ongeveer vijftig jaar oud.

Grijs haar.

Donker pak.

Rustige houding.

Hij draaide zich om.

En keek me recht aan.

“Je hebt de tas.”

Ik bleef staan.

“Hoe weet je dat?”

Hij keek naar mijn hand.

Ik hield de bruine tas stevig vast.

“Mijn moeder heeft altijd gezegd dat jij hem op een dag zou dragen.”

“Jij bent Bram.”

Hij knikte.

“Ja.”

Ik kon nauwelijks spreken.

“Annie dacht dat je dood was.”

Zijn gezicht vertrok.

“Ik weet het.”

“Waarom heb je haar nooit opgezocht?”

Hij keek naar buiten.

“Omdat ik dacht dat ze mij had verlaten.”

“Maar zij vertelde me dat jij was weggegaan.”

Hij glimlachte bitter.

“Dat was het verhaal dat ze iedereen vertelde.”

Hij liep naar een kast en haalde een oude map tevoorschijn.

“Dertig jaar geleden werd ik beschuldigd van iets wat ik niet had gedaan.”

“Waarvan?”

“Diefstal.”

Hij legde de map op tafel.

“Mijn vader had een bedrijf. Er verdween een groot bedrag. Alle documenten wezen naar mij.”

“En je vluchtte?”

“Ik vluchtte omdat iemand me vertelde dat ik gearresteerd zou worden.”

“Wie?

Leave a Comment